donderdag 14 januari 2016

Hoe in 1937 een aangespoelde potvis naar de destructor van de Gekro ging



Onderstaand bericht in het Algemeen Handelsblad van 2 maart 1937 beschrijft niet alleen het transport van een in Breskens aangespoelde dode walvis naar het destructiebedrijf van de Gekro in Overschie.
Het kadaver werd daarvoor in zijn geheel door sleepboten door de vaarwegen gesleept . Het werd toen nog niet - zoals nu - ter plaatse in stukken verdeeld en met ophaalwagens naar de destructor gebracht. 
Zowel het transport als de walvis zelf waren grote publiekstrekkers.

Onderstaand bericht in het Algemeen Handelsblad van 2 maart 1937 beschrijft niet alleen het transport van een in Breskens aangespoelde dode walvis naar het destructiebedrijf van de Gekro in Overschie.
Het kadaver werd daarvoor in zijn geheel door sleepboten door de vaarwegen gesleept . Het werd toen nog niet - zoals nu - ter plaatse in stukken verdeeld en met ophaalwagens naar de destructor gebracht. 
Zowel het transport als de walvis zelf waren grote publiekstrekkers.
DE EERSTE POTVISCH TE  ROTTERDAM
Groote belangstelling. (Van onzen correspondent)
Een der reusachtige potvisschen,  die in den nacht van Dinsdag op Woensdag op een zandplaat ten westen van Terneuzen zijn aangespoeld is vanmorgen om half elf in de Parkhaven te Rotterdam aangekomen. Omstreeks half tien passerde de sleepboot Haringvliet van de stoomsleepdienst v.h. P. Smit Jr het Kralingscheveer, waar een motorbootje van de rivierpolitie gemeerd lag om de sleep tot de Parkhaven te begeleiden.
Aanvankelijk heeft het in de bedoeling gelegen om de potvisch naar de Maashaven te slepen tot bij den werf van Bon en Mees, waar een bok het gevaarte op een zolderschuit zou hijschen, die dan onmiddelijk naar de Coolhaven zou worden gesleept, waar het publiek in de gelegenheid zou worden gesteld tegen betaling van een kleine vergoeding. een kijkje te nemen. eeToen de sleepboot in de Maashaven aankwam bleek. dat de bok pas vanmiddag in werking  kon worden gesteld.
men is toen naar de aan de andere kant van de rivier gelegen Parkhaven gevaren, waar sleepboot en potvisch ligplaats hebben genomen tegenover de terreinen van de firma William H Muller en Co in den onmiddelijken nabijheid van de aanlegsteiger van het Wagenveer.
Toen de sleep hedenmiddag door het Kralingsche Veer voer, constateerden wij dat de visch nogal stank verspreidde, zoodat toen reeds twijfel begon te rijzen of den expositie in den Coolhaven  - men had daar reeds in verband met de belangstelling hekken getimmerd - wel  doorgang kon  vinden.
Bij aankomst van de sleepboot in den Parkhaven, hebben de heren M de Kroes van het destructiebedrijf en H. Cornet van het Leidsch Museum zich met enige autoriteiten in verbinding gesteld en men achtte het toen beter niet den visch in de Coolhaven, waarvan de omgeving nogal dicht is bebouwd,  te exposeren, doch in den Parkhaven.
Met behulp van een bok zou men heden het gevaarte op den kade zetten, die daar ter plaaste voor een groot gedeelte is open gebroken in verband met herstellingen aan het wegdek.
Het publiek kan den visch dus toch nog aanschouwen, zonder dat iemand hinder van de stank zal ondervinden.
Het transport naar Rotterdam is bijzonder vlot verlopen dankzij de zorgen van kapitein van den Heuvel, die goed bekend in op de Zeeuwsche binnenwateren. Men moest vooral rekening houden met de grote diepgang, die de potvisch heeft er er voor zorg dragen dat het dier niet aan den grond zou komen te zitten.
De vaarweg naar Oversehie is zelfs niet diep genoeg om het dier door het water naar het destructiebedrijf van de Gekro te slepen, vandaar ook dat - al was de tentoonstelling niet doorgegaan - men toch van een zolderschuit gebruik had moeten maken voor het laatste gedeelte van de reis.
De Heer van den Heuvel vertelde ons dat hij reeds gisteravond te Dordrecht was aangekomen omdat men liever bij dag in Rotterdam wilde arriveren. Hij heeft toen het laatste gedeelte van de sleepreis tot vanmorgen uitgesteld.
Het vlotslepen te Breskens  is, naar de kapitein zeide, vlot verloopen. Hoewel het weer nogal ruw was, is men reeds Zaterdag te Wemeldinge aangekomen, waar men tot Zondagmorgen is blijven liggen. Men had de sleeptros ongeveer een lengte gegeven van ongeveer 6 tot 7 meter.  Tijdens de tocht is de visch niet beschadigd.
Bij aankomst te Rotterdam, stak de potvisch slechts voor een klein gedeelte boven water uit. Alleen de borstvin en een gedeelte van de romp waren te zien.
Bij aankomst in de Rotterdamsche haven heeft het  merkwaardige transport veel belangstelling getrokken. Overal langs de wal stonden kijkers rijen dik.  Vooral op de Maasbrug, die omstreeks 10 uur werd gepasseerd, stonden de menschen in dikke rijen. Een groot aantal schippers hebben zich in roeibooten begeven om de potvisch meer van nabij te kunnen beschouwen.
Hoe lang het dier in den Parkhaven zal worden tentoongesteld staat nog niet vast. Dit hangt af van het feit, of den stank zal verergeren. Dat de expositie lang zal duren valt sterk te betwijfelen.
Bron: Nieuwe Tilburgse Courant 2 mrt 1937






dinsdag 1 december 2015

Kadavers, arme boeren, een pater en de vuurvogel Phoenix.


Aan het einde van de negentiende eeuw was Noord Brabant een arme provincie met veel kleine keuterboertjes. Het was Pater Gerlacus van den Elsen uit de Abdij van Berne in Heeswijk, die de boeren wist te verenigen. Hij maakte ze duidelijk dat het voor hen het beste was om de handen in een te slaan. Op 17 augustus 1896 werd toen de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB) opgericht. Deze Bond heeft aan de wieg gestaan van verschillende nu nog bestaande bedrijven. Voorbeelden hiervan zijn de huidige Rabobank, Interpolis en de zuivelfabriek Campina. Hun toenmalige  vee- en vleescentrale en slachterij Dumeco is nu het huidige Vion.
In 1933 richtte de NCB in Son de “NV Destructor NCB” op, een naam, die het bedrijf tot halverwege de jaren ’50 van de vorige eeuw zou houden. In 1934 werd de fabriek gebouwd en in bedrijf genomen. Het verwerken van de kadavers en het slachtafval verliep analoog aan de processen bij andere destructiebedrijven.
De NV Destructor NCB had als eerste logo de Vuurvogel Phoenix.
 De vuurvogel Phoenix komt uit de Griekse mythologie. Het was zo’n mooie vogel, dat de Zon hem het eeuwige leven schonk. Hij bleef dan wel eeuwig leven maar hij werd wel ouder en verloor daarbij zijn jeugd en schoonheid.

Op een gegeven moment zat hij oud en zwak in een nest in een hoge palmboom. Hij smeekte toen de Zon om hem zijn jeugd en kracht terug te geven. De Zon beantwoordde dit door Phoenix te verbranden. Toen het vuur uitging waren de boom en het nest nog helemaal intakt maar Phoenix was weg. Van hem was er alleen nog maar een hoopje zilvergrijze as over. De as begon vervolgens te beven en kwam langzaam omhoog. Van onder uit de as rees toen weer een jonge Phoenix op. Deze gebeurtenissen herhaalden zich elke vijfhonderd jaar. Telkens als Phoenix zich dan weer oud en zwak begon te voelen, ging hij weer naar het nest in de palmboom en werd hij weer verbrand. Maar telkens weer herrees Phoenix versterkt, vernieuwd en verjongd uit de as.
Daarin zag men bij de Destructor NCB de overeenkomst van hun werk met Phoenix.
Welliswaar niet door verbranding maar wel door verhitting zetten zij de waardeloze en vieze kadavers weer om in waardevolle producten.


Herdenkingsbord van Pater Gerlacus van de Elzen, in het Boerenbondmuseum in Gemert
Bron: Eigen foto A.M.T.M. Oudejans

donderdag 1 oktober 2015

Oorspronkelijke plannen van de NTF voor de destructie in heel Nederland

Al bij de oprichting had de NTF al het plan om de destructie van kadavers en afgekeurd vlees voor geheel Nederland te gaan verzorgen. Zij had daarvoor Nederland in 5 districten verdeeld, met op termijn in elk district een destructor. Aanvankelijk zou – na “Burgum” er eerst een destructor in Overijssel komen, maar dit plan werd al gauw vervangen door de vestiging van het overslagstation in Haarle bij Nijverdal.  
De tweede destructor zou hierbij in Woerden terecht moeten komen. In eerste instantie zou deze destructor de provincies Noord- en Zuid Holland, Utrecht Brabant en Limburg bedienen. Hiervoor zouden - net als in Haarle bij Nijverdal - ook in deze provincies overslagstations komen. 
In een later stadium was het dus de bedoeling om elk district van zijn eigen destructor te voorzien.

Echter mede door de crisis van de jaren dertig en de tegenvallende resultaten van de eerste jaren van "Burgum" is daar niets van gekomen en werd de destructie door verschillende (gezamelijke) gemeenten , Vleeskeuringskringen en particulieren ter hand genomen.

Bron: NFF "De destructie van afgekeurd vee en vleesch (1929)

vrijdag 4 september 2015

De oprichting in 1926 van de Destructor Midwoud; Destructoren waren geen financiële vetpotten


In het Noord-Hollandse veerijke gebied nam de vleeskeuringskring Midwoud in 1925 samen met de gemeenten Midwoud,Twisk, Opperdoes, Medenblik en Wervershoof het initiatief tot het oprichten van “een installatie voor de vernietiging van afgekeurd vlees en kadavers”. In de installatie zou dit materiaal omgezet moeten worden in meststof, diermeel voor de varkens en de kippen en “technisch” vet voor bijvoorbeeld de zeepindustrie.
Door de veedichtheid waren hiervoor genoeg kadavers en afgekeurd vlees, zodat de afstand tot de destructor betrekkelijk klein. Niet alleen bleven daardoor de transportkosten beperkt maar was het materiaal wat dan in de destructor werd verwerkt nog redelijk vers en nog weinig in ontbinding, waardoor de destructor een goede kwaliteit producten kon leveren. Tenslotte was er in het gebied rond Midwoud voldoende vraag naar voer voor de beesten.

In oktober 1926 geven GS van Noord-Holland de goedkeuring aan de Hinderwetvergun-ning, die in februari van datzelfde jaar door B&W van Midwoud is voorgesteld en op 22 november 1927 werd de destructor officieel geopend.

In tegenstelling tot de NTF in Burgum was de destructor van Midwoud een geheel gemeentelijke inrichting en had daarmee primair tot doel het uitvoeren van de wettelijk aan de gemeente opgelegde verplichting tot het verwerken van kadavers en afgekeurd vlees. Het maken van winst hierop was hierbij geen uitgangspunt. Wanneer de deze destructor wel winst zou maken, dan zal deze op één of andere manier terugvloeien naar de gemeenschap.  

De NTF was een geheel particuliere firma. Zij nam welliswaar ook deze uitvoering op zich maar had daarbij als hoofddoel uiteindelijk wel het maken van winst.  
Onder andere vanwege deze verschillen, hadden beide destructoren grote belangstelling van de zijde van gemeentebesturen, slachthuisdirecties, vee- en vleeskeuringsdiensten
Zo staken in 1931 oprichtingscommissies voor Noord Brabant en de gemeenten Winterswijk, Geldermalsen hun licht op in Midwoud.

Destructiebedrijven waren geen financiële vetpot

In de beginjaren waren deastructoren bepaald geen financiële vetpot. Net als de NTF leed ook de destructor van Midwoud de eerste jaren verlies. In 1937 was dat verlies voor een gemeenteraadslid van Obdam de aanleiding om te stellen dat het werkgebied van de destructor in Midwoud gewoon te klein is, waardoor de aanvoer van materiaal te gering is”. In 1938, toen de productie van “Midwoud” 100 kg diermeel en 45 kg technisch vet per dag was, leidde dit bij de burgemeester van  Obdam tot de volgende uitspraak “vele destructoren zijn scheepjes van bijleg …..


Destructoren waren in de jaren dertig "scheepjes van bijleg"

Tekening: H. Oudejans Decoratief Tekenwerk

woensdag 19 augustus 2015

De “Eigendomskwestie” van een ……… kadaver


Nog voor de oprichting van de NTF kwamen de eerste juridische vraagstukken al boven water: namelijk het probleem van de eigendomskwestie:

Dit probleem werd meteen al in 1922 door de Keuringsveearts aangestipt. Hij schrijft namelijk
Zooals het nu gaat, kost het de gemeente zoo goed als niets. De cadavers worden ter plaatse begraven, onbruibaar gemaakt voor menschelijk of dierlijk voedsel met creolin en de zaak is daarmee afgeloopen. De eigenaar van het cadaver verzet zich daartegen niet, omdat het corpus delicti voor hem absoluut van geen waarde is. Iets anders wordt het, wanneer het verwerkt zal worden tot vleeschmeel, Daardoor krijgt het cadaver eenige waarde en de mogelijkheid bestaat nu mijns insziens, dat de eigenaar zich tegen een verwerking   van mening, dat u deze werkwijze verreweg de goedkoopste zijn.enr en Bergum vallen, lees ter hand te gaan nemen.  tot vleeschmeel en dergelijke zal verzetten. Hier is naar mijn oordeel een rechtskundige kwestie op te lossen, of de gemeente zich die cadavers mag toeeigenen om ze daarna af te staan aan de heer Nijveen, of dat ze verplicht zal zijn de eigenaars schadeloos te stellen….

Er zou een hele juridische discussie volgen:

Zo eisten de Vleeswet en de Veewet immers niet meer dan een ONBRUIKBAARMAKING voor voedsel voor mens en dier van dood vee (en van afgekeurd vlees). De wet vroeg slechts een BEWERKING en NIET de ALGEHELE VERNIETIGING  met daarbij – logischerwijs - het verlies van  eigendomsrecht. 

Er kon beweerd worden dat, na de bewerking in de fabriek, de onbruikbaarmaking is afgelopen. Dit zou kunnen betekenen dat volgens de Grondwet de oorspronkelijke eigenaar van een kadaver, ook de eigenaar van het resterend product blijft.

Met behulp van het Burgerlijk Wetboek kon men daartegenover  echter stellen dat door de bewerking een nieuwe stof is ontstaan (namelijk vet en diermeel). Die nieuwe stof blijft dan, volgens het Burgerlijk Wetboek, het eigendom van de fabrikant, in wiens fabriek die bewerking is gedaan. In dat geval is deze nieuwe eigenaar wel verplicht om de oude eigenaar een vergoeding te geven van de grondstof. En die grondstof was …..  een waardeloos  kadaver.

Uiteindelijk wordt geconstateerd dat “ Meerdere rechtsgeleerden zijn, zooals uit hunne adviezen is gebleken, van oordeel,  dat deze eigendomskwestie niet bestaat", terwijl het ook bekend is dat men aan het Ministerie overweegt eene regeling te maken die de bezwaren,  voorzoover ze  bestaan, uit den weg zal ruimen.

In elk geval behoeft dus dit punt niet in den weg te staan aan voorloopige verdere      ontwikkeling van de plannen”


bron Wikimedia Commons/File:Iustitia.svg

donderdag 6 augustus 2015

Niet de NTF maar de Eerste Friesche Lijm- en Vleeschmeelfabriek" te Wolvega

De NTF was niet het eerste destructiebedrijf in Nederland ……..

Nee want de “Eerste Friesche Lijm-en Vleeschmeelfabriek” aan de Schipsloot in Wolvega was er eerder. In dit bedrijf, dat in 1917 werd opgericht en waarvan de fabriek in al 1920 werd gebouwd  verwerkten ze kadavers tot lijm, vlees- en beendermeel. Mede door de slapte in 1921 in de markt voor vleesmeel en de daarmee gepaard gaande overproductie, moest het bedrijf in januari van dat jaar van de 50 mensen al 25-30 man tijdelijk ontslaan. De grote brand van januari 1922 heeft het bedrijf uiteindelijk de nekslag gegeven, waardoor het in maart 1923 werd geliquideerd. In juli van datzelfde jaar werden de gebouwen en installaties, waaronder een “kostbare cadaververwerkingsinstallatie”, geveild. Volgens mijn informatie is de genoemde kadaververwerkingsinstallatie een “IWELL-Laabs”.

Ik ben heel benieuwd of iemand mij blij kan maken met bijvoorbeeld foto’s, tekeningen, het genoemde veilingboekje of andere aanvullende informatie over de Eerste Friesche Lijm- en Vleeschmeelfabriek. Als dat zo is kunt U mij mailen op cat.1.boekje@kpnmail.nl



 Nieuwsblad van Friesland van 19 nov. 1920

 Leeuwarder courant van 23 juni 1923.